Juiperus Chinensis Kyusu 10 jaar

€ 89,00

De Juniperus (Jeneverbes) komt van oorsprong voor over een groot deel van het noordelijk halfrond, inclusief Noord-Europa, Azië en Noord-Amerika, maar ook in gebieden rond het Middellandse Zeegebied en Noord-Afrika. De exacte oorsprong en leefomgeving hangen af van de specifieke soort, aangezien er vele soorten bestaan, zoals de Chinese jeneverbes in Noordoost-Azië en de gewone jeneverbes (Juniperus communis) die in Noordwest-Europa en zelfs in Nederland voorkomt. 

  1. Standplaats
  • Zet je Juniperus bonsai buiten, gedurende het hele jaar, op een plek met veel zonlicht. Juniper bonsai kunnen meestal niet binnen overleven, zelfs niet met groeilampen.
  • Tijdens zeer koude winters (onder –10 °C of ongeveer 15 °F) kun je extra bescherming bieden, zoals een koude kas of koude bak
  1. Water geven
  • Gebruik goed doorlatende bonsaigrond (bijvoorbeeld een mix van akadama, pumice of lava) om wortelrot te voorkomen.
  • Laat de grond licht opdrogen tussen gietbeurten. Geef pas water als de bovenste laag licht droog aanvoelt.
  • In het groeiseizoen (lente–herfst) kan je dagelijks (of zelfs twee keer per dag) controleren en water geven; buiten het groeiseizoen volstaat minder frequent water
  1. Voeding en bemesting
  • Bemest tijdens het groeiseizoen (lente en zomer), met organische of milde synthetische meststoffen. In de winter stop je met bemesten, omdat de boom in rust is.
  • Gebruik korrel- of vloeibare meststoffen om de ontwikkeling van looppads («pads») te ondersteunen.
  1. Snoei en vormgeven
  • Snoei of «pinch» nieuwe scheuten regelmatig tijdens het groeiseizoen om de vorm en dichtheid van de looppads te behouden. Vermijd “hegachtige” snoei waarbij alle scheuttoppen worden weggeknipt – dat verzwakt de boom.
  • Om vorm te geven: structurele snoei in vroege lente of na de hitte van de zomer (begin herfst) is ideaal. Fijne onderhoudssnoei gebeurt van eind mei tot juni.
  • Je kunt bedrading toepassen om takken in gewenste vormen te buigen, vooral aan het eind van groeiseizoen — zoals ‘shari’ en ‘jin’ gebruikt worden voor een oud uiterlijk.
  1. Verpotten en substraat
  • Gebruik een goed doorlatende mix: bijvoorbeeld 50 % akadama + 50 % kiryu, die vocht maar ook drainage biedt.
  • Jonge bomen verpot je elke 2 jaar, oudere bomen elke 3–5 jaar, meestal in het voorjaar.
  1. Ziekten & plagen
  • Controleer regelmatig op plagen zoals spintmijten, luizen en “schaal”. Bij schimmel of bruine punten zorg je voor betere luchtcirculatie en verminderde vochtigheid.
  • Bij luizen volstaat soms 1 bespuiting in de winter, en winterkou kan bruine loofpunten veroorzaken
  1. Veelvoorkomende fouten
  • Te veel water geven → leidt tot wortelrot. Zorg voor goede drainage.
  • Te weinig licht → verzwakt de boom. Zet hem in de volle zon
  • Onvoldoende winterbescherming → schade bij extreme kou. Bescherm bij –10 °C of lager